Basisschool De Schakel Woerden

Dyslexieprotocol

 

Protocol bij ernstige leesproblemen en dyslexie

1. Inleiding

Het protocol ‘Ernstige leesproblemen en dyslexie’ is onderdeel van ons zorgbeleid op De Schakel. Niet bij alle leerlingen ontwikkelt het lezen zich even gemakkelijk. Een leerling valt ons op wanneer een leerling “niet zo goed leest” of “niet zo van lezen houdt”.

Redenen voor het schrijven van dit protocol zijn in willekeurige volgorde:

  • Begin november 2008 organiseerde het samenwerkingsverband Woerden een studiemiddag over dyslexie. Op deze middag werden de nieuwste inzichten op het gebied van leesproblemen besproken.
  • Het Expertisecentrum Nederlands kwam in juni 2008 met een nieuwe uitgave ‘Protocol Leesproblemen en dyslexie voor groep 1 en 2’.
  • Per 1 januari 2009 heeft elke basisschool een belangrijke rol bij de aanvraag voor vergoeding van diagnostiek en behandeling van dyslexie.
  • De verantwoordelijkheid en rol van de school in het kader van Passend Onderwijs.

 

De Schakel streeft er naar de leerlingen kwalitatief goed onderwijs te geven. Wij gebruiken moderne methoden, de leerkrachten zijn gemotiveerd, de zorg voor de leerlingen vinden wij belangrijk. Onze school streeft ernaar voldoende aandacht te geven aan het vroegtijdig signaleren en de begeleiding van leerlingen met lees- en spellingproblemen. Bij veel kinderen worden lees- en spellingsproblemen duidelijk in groep 3 en 4 van de basisschooltijd, maar het kan ook pas later op de basisschool of zelfs op de middelbare school naar voren komen. Leerlingen die moeilijkheden ervaren bij het lezen en spellen krijgen in de groep extra uitleg en aandacht.

Indien deze zorg en begeleiding weinig of geen resultaten heeft spreken we van ernstige lees- en spellingproblemen of dyslexie.

Er is dus bij dyslexie altijd sprake van:

  • Een ernstige lees- en/of spellingsachterstand
  • Een hardnekkig didactisch probleem
  • Trage/onnauwkeurige woordidentificatie
  • Een aangeboren hersenstoornis

dyslexie

Statistisch gezien doen lees- en spellingproblemen zich voor bij tien procent van leerlingen. In dit protocol wordt beschreven hoe op De Schakel wordt gewerkt aan het onderkennen en aanpakken van lees- en spellingproblemen bij de kinderen. Wij staan open voor nieuwe ontwikkelingen en activiteiten indien hiermee de zorg voor kinderen met dyslexie of leesproblemen beter wordt.

Dit protocol is een vervolg op een eerder protocol wat bij ons op school gehanteerd werd.

Gezien de eerder genoemde ontwikkelingen hebben wij de onderwijsbegeleidingsdienst MHR en de Medezeggenschapsraadgevraagd om, samen met ons, kritisch te kijken naar dit protocol. Het Steunpunt Dyslexie geeft ouders informatie over de aanpak van leesproblemen en dyslexie.

Dit protocol is geschreven voor de leerkrachten van De Schakel.

Wij willen hiermee bereiken dat er eenduidige en goede informatie aan de ouders en de leerlingen wordt verstrekt rondom dit onderwerp.

Wij vinden het belangrijk om samen met de ouders het beste voor de kinderen na te streven. Daarom zijn wij blij met de bijdragen van onze Medezeggenschapsraad en de MHR.

 

2. Signalering en diagnose

De signalering voor lezen en spellen is uitgewerkt in een stappenplan. Dit stappenplan is ontleend aan het Protocol Lees- en spellingproblemen en dyslexie (Expertisecentrum Nederlands, 2001, 2004 en 2008) en toegespitst op De Schakel.

Ernstige achterstanden in het leren lezen en spellen kunnen worden voorkomen, dan wel worden teruggedrongen door hiaten in de ontwikkeling in een zo vroeg mogelijk stadium in het lees- en spellingonderwijs te onderkennen en aan te pakken.

In het boek “Dyslectische kinderen leren lezen”[1] staan veel suggesties voor goed preventief leesonderwijs. Wij maken hier (dankbaar) gebruik van.

 

Overzicht van signaleringsmiddelen per groep voor het leesonderwijs

Overzicht groep 1

Stap

Maand

Signaleringsmiddel

Voor wie?

1.

Januari

Signaleringslijst

Cito Oefentoets

Cito Taal voor kleuters

Individueel

Groepjes

Groepjes

2.

Juni

Oefentoets

Cito Taal voor kleuters

Na 6 maanden onderwijs  in groepjes

 

Overzicht groep 2

Stap

Maand

Signaleringsmiddel

Voor wie?

1.

Januari

Signaleringslijst

Cito Taal voor kleuters

Individueel

Groepjes

2.

Maart

Invented spelling

Kleurenbenoemsnelheid

Letterkennis

Auditieve analyse

Individueel

Individueel

Individueel

Individueel

3.

Juni

Signaleringslijst

Individueel voor opvallers

 

Overzicht groep 3

Stap

Maand

Signaleringsmiddel

Voor wie?

1.

Voor de zomervakantie

Overdracht van groep 2 naar 3 schriftelijk vastleggen

Kind met signalen van dyslexie komt op apart formulier in het dossier.

2.

Oktober

Herfstsignalering VLL

Deze hoeft niet afgenomen te worden bij lezende leerlingen. In overleg met de I.B.-er.

3.

November

Leesprotocol

Oefen periode

leesbehandeling

 

 

 

4.

Februari

Wintersignalering (alle lln): fonemendictee, letterkennis, DMT kaart 1, AVI

Cito Luisteren M3

Cito spelling M3

Cito toets technisch lezen

DMT bij zwakke lln.

Grafemen toets en spelling. Deze zit in de leesmethode

 

 

DMT en eventueel nieuwe AVI

5.

Maart-Mei

Oefenperiode.

 

6.

 

April

Decodeersnelheid

Lentesignalering alle lln: AVI en DMT en spelling.

DMT en eventueel nieuwe AVI

 

7.

Juni

 

 

 

Cito toets begrijpend lezen bij lln die al Avi m3 beheersen. Cito toets spelling E3

Cito Luisteren E3

Eindsignalering: o.a. AVI

Bij D en E leerlingen analyse formulier

Bij D en E leerlingen analyse formulier

 

Overzicht groep 4

Stap

Maand

Actie in de groep

Actie individueel

1.

Voor de zomervakantie

Overdracht van plan van aanpak en voortgang op formulier in dossier.

Observeren m.b.v. protocol blz. 132.

 

2.

Oktober

 

 

DMT bij lln. die opvallen en eventueel nieuwe AVI

Protocol blz. 138

3.

Januari

Cito toets technisch lezen

Cito spelling

Cito Luisteren M4

DMT en eventueel nieuwe AVI

Bij D en E leerlingen analyse formulier

 

Protocol blz. 156

4.

Februari

Cito toets begrijpend lezen

Bij D en E leerlingen analyse formulier

Protocol blz. 142

Zie begrijpend lezen

5.

Maart

Oefen periode

DMT bij lln die opvallen en eventueel nieuwe AVI

 

6.

Juni

Cito toets spelling

Cito toets technisch lezen

Cito Luisteren E 4

Bij D en E leerlingen analyse formulier

DMT en eventueel nieuwe AVI

 dyslexie4

Overzicht groep 5

Stap

Maand

Actie in de groep

Actie individueel

1.

Voor de zomervakantie

Overdracht van plan van aanpak en voortgang op formulier in dossier.

Observeren m.b.v. protocol blz. 132.

 

2.

Oktober

 

DMT en eventueel nieuwe AVI toetsen bij lln. die niet op niveau lezen.

Als er sprake is van dyslexie moet je uit gaan van één niveau stijging per 6 maanden.

Zowel beheersingsniveau als instructieniveau wordt bepaald. Er mag niet op frustratieniveau gelezen worden.

zie tussendoel 2 dyslexie protocol blz. 115 e.v.

Aandachtspunten voor de begeleiding blz.122

 

3.

Januari

Cito toets technisch lezen

 

 

 

 

Cito toets spelling

 

DMT en eventueel nieuwe AVI( zie tussendoel 2 dyslexie protocol blz. 115 e.v.Aandachtspunten voor de begeleiding blz.122)

 

Bij D en E leerlingen analyse formulier

 

Protocol blz. 156

4.

Februari

Cito toets begrijpend lezen

Bij D en E leerlingen analyse formulier

Voor begrijpend lezen zie tussendoel 4 blz. 144 e.v.

5.

Maart

 

DMT bij lln die opvallen en eventueel nieuwe AVI

 

6.

Juni

Cito toets spelling

Cito toets technisch lezen

 

Bij D en E leerlingen analyse formulier

DMT en eventueel nieuwe AVI

 

Overzicht groep 6

Stap

Maand

Actie in de groep

Actie individueel

1.

Voor de zomervakantie

Overdracht van plan van aanpak en voortgang op formulier in dossier.

Observeren m.b.v. protocol blz. 132.

 

2.

Oktober

 

DMT en eventueel nieuwe AVI toetsen bij lln. die niet op niveau lezen.

Als er sprake is van dyslexie moet men uit gaan van één niveau stijging per 6 maanden.

Zowel beheersingsniveau als instructieniveau wordt bepaald. Er mag niet op frustratieniveau gelezen worden.

zie tussendoel 2 dyslexie protocol blz. 115 e.v. Aandachtspunten voor de begeleiding blz.122

 

3.

Januari

Cito toets technisch lezen

 

 

 

Cito toets begrijpend lezen

 

DMT en eventueel nieuwe AVI( zie tussendoel 2 dyslexie protocol blz. 115 e.v.Aandachtspunten voor de begeleiding blz. 122)

Bij D en E leerlingen analyse formulier

Voor begrijpend lezen zie tussendoel 4 blz. 144 e.v.

4.

Februari

Cito toets spelling

 

 

Bij D en E leerlingen analyse formulier

Protocol blz. 156

5.

Juni

Cito toets technisch lezen

 

DMT en eventueel nieuwe AVI

 

Groep 7 en 8

Als er in groep 7/8 kinderen zijn die niet op voldoende niveau lezen wordt er in oktober, maart en juni de DMT en eventueel de nieuwe AVI afgenomen. Tot het moment dat AVI plus beheerst wordt. Er wordt altijd extra leesbegeleiding aan deze kinderen gegeven, a.d.h.v. een handelingsplan.

(Zie tussendoel 2 dyslexie protocol blz. 115 e.v. Aandachtspunten voor de begeleiding blz. 122)

Bij leeszwakke kinderen wordt er bij de AVI toetsen vooral op het aantal fouten getoetst. Er wordt doorgetoetst tot het hoogste instructieniveau. Bij de DMT wordt er een minuut gelezen, als er dan nog geen 5 fouten gelezen zijn laten we door lezen tot er vijf fouten gemaakt zijn.

In iedere groep wordt er DMT getoetst voor de leerlingen die AVI uit zijn. Dit is om te controleren of leerlingen niet terugvallen in het lezen.

In groep 7 zit de leestempo toets in de entreetoets. De kinderen die dit onderdeel onvoldoende maken krijgen in groep 8 de Cito toets leestempo.

 

Signaleringsmiddelen en interventie op het gebied van spelling

Groep

Toetsen

Interventies

3 t/m 8

Cito toets spelling in februari. Bij een D en E score neemt de interne begeleider een PI dictee af. Bij een E score wordt dan ook een zinnendictee afgenomen met analyse.

 

Een D score: oefenen per categorie, n.a.v. PI dictee, met een handelingsplan.

Een E score in januari, analyse en intensieve begeleiding binnen de groep en evt. RT, met handelingsplan.

(Zie tussendoel 3 dyslexie protocol blz. 123 e.v.

Aandachtspunten voor de begeleiding blz. 128)

Evaluaties volgens handelingsplan.

Re teaching is belangrijk.

Cito toets spelling in juni. Bij een D en E score neemt de interne begeleider een PI dictee af. Bij een E score wordt dan ook een zinnendictee afgenomen met analyse.

 

Een D score: oefenen per categorie, n.a.v. PI dictee, met een handelingsplan.

Een E score in juni, analyse en intensieve begeleiding binnen de groep en evt. RT, met handelingsplan. Evaluaties volgens handelingsplan. Dit in het nieuwe schooljaar, direct beginnen.

 

Verdere procedure:

  • De signaleringen (toetsen) worden afgenomen door de groepsleraren.
  • wanneer de leerkracht een leerling structureel extra begeleiding, instructie en leertijd biedt, zullen de ouders hiervan op de hoogte worden gebracht d.m.v. een oudergesprek.
  • de resultaten worden geregistreerd in het digitale leerlingvolgsysteem Parnassys.
  • leerlingen die onvoldoende scoren op de checklist/toetsen (zie minimumdoelen) worden besproken met de Intern Begeleider.
  • de groepsleraar stelt voor deze leerlingen een handelingsplan op.
  • de uitvoerder van het handelingsplan is verantwoordelijk voor de evaluatie.
  • de groepsleraar bespreekt aan het einde van het schooljaar de handelingsplannen van de laatste interventieperiode met de leraar van de volgende groep en draagt eventueel doorlopende handelingsplannen over.
  • De gegevens uit het leerlingvolgsysteem en de handelingsplannen worden door de groepsleraar bewaard in het digitale leerling-dossier Parnassys. In het leerling-dossier van de leerling worden alle handelingsplannen bewaard. De Intern Begeleider is verantwoordelijk voor het beheer van de leerling-dossiers (eventueel dyslexiedossier)

 

3. Diagnose bij lees –en spellingsproblemen

Indien uit de analyse van de signaleringgegevens niet duidelijk is wat de aard van het lees-/spellingprobleem is, of bij de evaluatie van een handelingsplan blijkt dat het effect gering is, kan besloten worden tot verder diagnostisch onderzoek. Dit onderzoek kan uitgevoerd worden door:

  • de groepsleraar
  • Remedial Teacher
  • de Intern Begeleider
  • externen (ambulante begeleider WSNS, MHR.).

 

Middelen die op school aanwezig zijn voor verdere diagnose van lees- en spellingproblemen:

  • Grafemen-/fonementoets
  • Toets auditieve discriminatie/analyse/synthese
  • Visuele synthesetoets
  • PI woorddictee
  • Klepel (onzinwoorden)
  • Zelfgeschreven teksten van de leerling

 

Indien het vermoeden van dyslexie bestaat, zal uitgebreid diagnostisch onderzoek plaatsvinden met behulp van de schoolbegeleidingsdienst of andere externen. Het resultaat van het onderzoek zal door de interne begeleider met de ouders worden besproken.

In sommige gevallen wensen de ouders een dyslexie onderzoek in de privésfeer uit te laten voeren. Als school zullen wij hier onze medewerking aan verlenen. We zullen in het eerste gesprek met de ouders bespreken waarom wij wel of geen onderzoek adviseren. In de gevallen dat ouders besluiten om extern een onderzoek te laten uitvoeren zullen wij alle gegevens aanleveren die op dat moment tot onze beschikking zijn. Uiteraard willen we na het onderzoek graag de adviezen van de desbetreffende deskundigen horen, zodat we, daar waar mogelijk, ons onderwijs aan de behoefte van de leerling kunnen aanpassen.

 

4. Hoe werken wij in onze groepen aan dyslexie en voorkoming van leesproblemen

De begeleiding van de kinderen met lees- en spellingsproblemen maakt onderdeel uit van de zorgstructuur binnen de groep en zal dus ook binnen die groep door de groepsleerkracht plaatsvinden. Waar nodig wordt de groepsleerkracht ondersteund door de extra leerkracht en intern begeleider. De begeleiding vindt plaats met de reguliere lesmethoden aangevuld met begeleidingstechnieken die zijn afgestemd op de problematiek van het kind. Indien er sprake is van een dusdanige spellingachterstand dat de spellingleerstof van het betreffende jaar op een te hoog niveau ligt zal de leerstof op een lager niveau worden aangeboden. Indien de begeleiding binnen de groep onvoldoende oplevert of organisatorisch niet haalbaar is, wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor begeleiding buiten de klas. Uitgangspunt voor de handelingsplanning is zoveel mogelijk materialen van de reguliere methode in te zetten. Dit om didactische verwarring te voorkomen.

Als bij de evaluatie van het handelingsplan blijkt dat het effect onvoldoende is, kunnen in overleg met de interne begeleider andere programma’s of materialen ingezet worden.

 

5. Dyslexieverklaring

We spreken niet van dyslexie tot, volgens de officiële criteria door een GZ-psycholoog is vastgesteld dat er sprake is van dyslexie. De GZ-psycholoog is de deskundige op het gebied van ontwikkelingsproblemen. In alle gevallen van lees-/spellingproblemen immers wordt de leerling extra begeleid. De inhoud van de begeleiding is niet anders, hoogstens de intensiteit.

Kenmerken van dyslexie zijn:

  • Er zijn in groep 2 signalen die wijzen op risico voor dyslexie.
  • Er zijn vanaf het begin van het leesproces ernstige automatiseringsproblemen geweest (E-score op DMT/Cito spellingstoets in groep 3 en 4).
  • De leerling heeft specifieke problemen met lezen en/of spellen (rekenen en lees-/taalbegrip zijn
          voldoende).
  • Er is intensief (gedurende een half jaar viermaal per week een half uur) met handelingsplannen gewerkt, maar het effect is gering.

 dyslexie2

In een gesprek bespreken we de gesignaleerde problemen met de ouders. Wij controleren of in het intakeformulier is aangegeven of er sprake is van dyslexie in de familie. Indien er sprake is van familiale aanleg noteren we dit in het dossier. Wanneer er bij een kind problemen zijn, zijn wij als school extra alert.

 

In overleg met ouders kan besloten worden dyslexieonderzoek te laten uitvoeren indien een dyslexieverklaring noodzakelijk is voor het goed functioneren van de leerling binnen het onderwijs. Voor de inhoud van de begeleiding binnen het basisonderwijs is een dyslexieverklaring niet noodzakelijk. Een voordeel van een dyslexieverklaring is dat er buiten school een intensieve begeleiding kan worden ingezet die in sommige gevallen door de ziektekostenverzekering vergoed wordt. Daarnaast kan een verklaring het kind een bepaalde vorm van rust geven. Wat uiteindelijk het zelfvertrouwen van het kind ten gunste komt.

 

Een dyslexieverklaring bestaat uit drie diagnoses:

  • Onderkennende diagnose

Het vaardigheidsniveau van het lezen en/of spellen ligt significant onder dat van leeftijdgenoten. Er is sprake van een significante achterstand wanneer een leerling op een genormeerde toets voor technisch lezen en/of spellen behoort tot de tien procent zwakst scorende in zijn groep. Dit betekent in de praktijk een E score op de DMT/Leestechniek en Leestempo en/of op de Cito toets Spellen.

Het probleem in het aanleren en toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau blijft bestaan ook wanneer voorzien wordt in adequate remediërende instructie en oefening. Didactische resistentie kan pas worden aangetoond wanneer de leerling gedurende minstens een half jaar ten minste drie/vier keer per week 30 minuten extra instructie en oefening in technisch lezen en/of spellen heeft ontvangen van zijn leerkracht op school. De Schakel levert, indien gevraagd, de gegevens van het leerlingvolgsysteem aan bij de instelling die het dyslexieonderzoek uitvoert.

  • Verklarende diagnose

Het betreft een vijftal criteria:

1.Stemt de beheersing van lezen en spellen op woordniveau niet overeen met algemeen cognitief
   functioneren
van het kind?

2.Beïnvloedt de werkstijl van het kind het aanpakgedrag van het kind met betrekking tot lezen en
   spellen?

3.Is er sprake van tekorten in de fonologische verwerking?
  (onvoldoende of zeer lage score op auditieve synthese/analyse, klankonderscheiding, auditieve
  synthese in klankgroepen)

4.Is er sprake van tekorten in de toegankelijkheid van taalkennis, in het bijzonder ten aanzien van
  symbolen?
  (ideeënproductie grens van gemiddeld en beneden gemiddeld niveau, symbolen vergelijken
  beneden gemiddeld niveau)

5.Is er sprake van tekorten in de automatisering van complexe vaardigheden?
  (cijferreeksen grens gemiddeld en boven gemiddeld niveau, substitutie en namen leren
  gemiddeld niveau, geheugenspan grens van gemiddeld en beneden gemiddeld niveau)

  • Handelingsgerichte/indicerende diagnose

Vooral de mate en de ernst van de onderwijsbelemmering die de leerling ondervindt zijn bepalend voor de indicatie tot behandeling.

Dyslexie kan samengaan met andere leerstoornissen in andere vaardigheden (bijvoorbeeld rekenen, communicatie vaardigheden, specifieke taalstoornissen).

Dyslexie kan samengaan met meer algemene stoornissen (beperkte intelligentie, zintuiglijke stoornis, ADHD).

Dyslexie kan gepaard gaan met problemen in het psychosociale functioneren.

Afgeven van een dyslexieverklaring en vergoeding van behandeling

De Schakel stemt de begeleiding van kinderen af op de mogelijkheden van het kind. Een dyslexieverklaring is daarbij niet nodig of direct van belang voor de aanpak van de lees- en/of spellingproblemen. De Schakel verricht diagnostisch onderzoek, stemt de begeleiding daarop af en houdt het leerling-dossier/dyslexiedossier bij. Indien het vermoeden bestaat van dyslexie, met inachtneming van de criteria van de Gezondheidsraad, zal dit met de ouders worden besproken.

Een dyslexieverklaring mag alleen worden afgegeven door functionarissen die een academische graad hebben in de klinische (kinder- of jeugd-)psychologie of orthopedagogiek, evenals een erkende bekwaamheidsregistratie in de psychodiagnostiek, minimaal op het niveau van de BIG registratie Gezondheidszorgpsycholoog (GZ psycholoog). De dyslexieverklaring heeft een onbeperkte geldigheidsduur. Het kan echter wenselijk zijn om bepaalde onderdelen van de verklaring na verloop van tijd aan te passen aan de dan geldende omstandigheden met het oog op veranderingen in aanpak of faciliteiten. Een dyslexieverklaring wordt afgegeven voor lezen en/of spellen.

Op 1 januari 2009 werd de vergoeding voor diagnostiek en behandeling van leerlingen met ernstige, enkelvoudige dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering opgenomen. Zie voor uitgebreide informatie hierover op www.steunpuntdyslexie.nl. Deze regeling wordt stapsgewijs ingevoerd, want in 2009 vielen alleen kinderen van zeven en acht jaar daaronder. In de jaren daarna wordt de regeling jaarlijks uitgebreid zodat in 2013 alle kinderen van zeven t/m twaalf jaar onder de regeling vallen.

Scholen hebben in deze regeling een centrale rol. Zij fungeren als poortwachter, omdat zij een dossier moeten aanleveren waaruit een ernstig vermoeden van dyslexie bestaat. Zo moeten er onder andere drie meetmomenten zijn geweest waaruit blijkt dat het kind driemaal tot de zwakste leerlingen wat betreft lezen en spellen behoort.

De school moet op het moment van doorverwijzen de volgende informatie leveren:

  • Toetsgegevens uit het leerlingenvolgsysteem;
  • Beschrijving van de lees-en spellingproblemen (zie de richtlijnen van het protocol Leesproblemen en Dyslexie);
  • Signalering van de lees- en spelproblemen: datum, onderzoek (instrumenten en criteria, de resultaten en gegevens over de onderzoeker);
  • Inhoud en duur van de extra begeleiding;
  • Resultaten van de extra begeleiding en een beschrijving van het gebruikte evaluatie-instrumentarium, vaststelling van de stagnatie met vermelding van instrumentarium en normcriteria;
  • Argumentatie voor ‘vermoedelijke dyslexie’;
  • Vermelding en beschrijving van andere problematiek.

Ouders kunnen dan vervolgens met dit dossier bij hun zorgverzekeraar een beroep doen op de dyslexiebehandeling in het basispakket.

6. Overgang PO-VO

De gesignaleerde lees- en/of spellingproblemen en gegeven begeleiding moeten tijdig (uiterlijk eind groep 7) en duidelijk met ouders besproken worden, zodat ouders hier rekening mee kunnen houden bij de keuze van school/type van voortgezet onderwijs.

Tevens dient de school voor voortgezet onderwijs (via zgn. ‘koude’ en ‘warme’ overdracht) tijdig en afdoende te worden geïnformeerd zodat de kinderen zo ononderbroken mogelijk begeleid kunnen worden bij hun verdere lees- en/of spellingontwikkeling. Hiervoor gebruiken we als aanvulling op het reguliere overdrachtsformulier het ‘Formulier overgang PO-VO dyslexie’.

Bij leerlingen met ernstige lees- en spellingproblemen geeft de leerkracht extra informatie met betrekking tot:

  • Heeft de leerling wel/geen dyslexieverklaring?
  • Welke lees- en/of spellingproblemen zijn gesignaleerd?
  • Welke aanpassingen met betrekking tot het aanbod en verwerking van het lezen en/of spellen hebben er in het basisonderwijs plaatsgevonden? (o.a. aanpassingen aan programma, extra hulp, hulpmiddelen, huiswerk, inzet ouders, compenserende/dispenserende maatregelen)?
  • Wat waren de resultaten van deze aanpassingen?
  • Wat is het huidige lees- en spellingniveau?
  • Sociaal-emotioneel functioneren van de leerling.

 

7. Bijlagen

  1. Voorbeelden van compenserende en dispenserende maatregelen (voor in de groep)
  2. Leesproblemen en dyslexie in de groep (suggesties voor leerkrachten)
  3. Tips en suggesties voor ouders

A. Mogelijkheden voor compenserende en dispenserende maatregelen

(in de groep)

Leerlingen met dyslexie hebben veelal moeite met de teksten in de begrijpend leesmethode en de zaakvakken. De leerling kan op school gebruik maken van hulpmiddelen (compensatie) of ontheffing (dispensatie) krijgen van bepaalde opdrachten.

  • Compenserende maatregelen
    Dit zijn maatregelen die de gevolgen van de (technische) lees- en/of spellingsproblemen minimaliseren bij het lezen of schrijven van teksten. Voorbeelden zijn een tekstverwerker met spellingcontrole bij het spellen en tekst-naar-spraak-software bij het lezen.
  • Dispenserende maatregelen
    Hierbij krijgt een kind ontheffing van bepaalde opdrachten. Een voorbeeld is een mondelinge in plaats van een schriftelijke overhoring bij topografie, omdat het onthouden van de spelling van plaatsnamen onevenredig veel extra inspanning kost.

Welke compenserende en dispenserende maatregelen noodzakelijk zijn, hangt af van de problemen die het kind heeft. Dit zal vrijwel altijd in overleg met een deskundige moeten worden uitgezocht. De deskundige zal ook zowel leerling als leerkracht begeleiden in het gebruik van de benodigde hulpmiddelen in de klas. Meestal is het ook raadzaam de ouders te instrueren, zodat de leerling de hulpmiddelen ook thuis kan gebruiken bij het maken van huiswerk. Het is wenselijk om de afspraken over het gebruik van hulpmiddelen, die met de leerling en zijn ouders zijn gemaakt, vast te leggen. Bij hulpmiddelen en maatregelen denken wij aan:

  • boeken die qua inhoud aansluiten bij de leeftijd en interesses van de leerling, maar die qua technisch niveau vereenvoudigd zijn. 
  • de leerling krijgt extra leestijd voor bijvoorbeeld zaakvakteksten.
  • leestaken voor de zaakvakken worden verlicht: minder pagina's of teksten van een makkelijker technisch niveau. 
  • Moeilijke woorden mogen worden voorgelezen door een leesmaatje.
  • Leerlingen met dyslexie krijgen geen onvoorbereide leesbeurten.
  • Er wordt gelezen zonder tijdsdruk.
  • Indien teksten/toetsen ingesproken beschikbaar zijn mag daarvan gebruik worden gemaakt.
  • Zaakvakteksten mogen thuis worden voorbereid.
  • Leestaken worden verlicht (minder pagina’s).
  • Leesteksten worden vergroot.
  • Inzet van software/hulpmiddelen.
  • Aangepaste afname Cito Entree- en Eindtoets (zie www.Cito.nl)

Algemene compenserende/dispenserende maatregelen bij spelling:

  • extra hulp in de klas bij het schrijven van verhalen, verslagen en werkstukken
  • correctie van het werk van de leerling door een klasgenoot
  • zoveel mogelijk negeren van spellingfouten onder voorwaarde dat de leerling woorden waarvan hij de spelling niet kent zoveel mogelijk klankzuiver schrijft
  • gedifferentieerde beoordeling van dictees (bijvoorbeeld alleen fouten met een bepaalde spellingregel tellen mee)
  • verlichting van de schrijftaak (minder pagina's)
  • beperking van het aantal oefeningen (ook minder oefeningen als huiswerk)
  • extra tijd voor schrijftaken
  • gebruik van hulpmiddelen zoals woordenboek, regelkaart en tekstverwerker met spellingcontrole, (eventueel een daisyspeler)
  • waar mogelijk mondelinge overhoringen, bijvoorbeeld bij topografie
  • niet maken van dictees waarbij van te voren al vaststaat dat de leerling veel fouten gaat maken. Eventueel krijgt de leerling daarvoor in de plaats een dictee dat is afgestemd op zijn niveau.

 

B. Leesproblemen en dyslexie in de groep, suggesties voor de leerkracht

Groep 1/2

  • Naast een aantal gerichte vragen tijdens de intake, maken wij gebruik van de toetsen van 
           “Beginnende geletterdheid” van het CPS.
  • De leerkrachten observeren aan de hand van de GOVK peilkaarten
  • Aandacht voor (des)interesse in letters of taal uit de tussendoelen beginnende geletterdheid
  • Benoemen van kleuren, symbolen, namen

Onze opvattingen over de aanpak van kinderen met een vergroot risico op dyslexie zijn als volgt samen te vatten:

  • Extra begeleiding en stimuleren
  • Blijvende motivatie van de leerling bewerkstellen
  • Dossier bijhouden van de vorderingen
  • Veel en op een leuke manier omgaan met taal
  • Kinderen thuis laten oefenen (waaronder voorlezen)

 

Gericht werken volgens een protocol[2]

Het is zeker niet zo, dat de ontwikkeling van geletterdheid opeens begint wanneer een kind op vierjarige leeftijd onze school binnen stapt. Kinderen doen al eerder op verschillende manieren ervaring op met geschreven taal. Deze ervaringen hebben een grote invloed op het niveau van de beginnende geletterdheid op school. De Schakel heeft er daarom voor gekozen om met een uitgebreid intake formulier[3] te werken wanneer ouders hun kind voor het eerst naar school brengen. Wij proberen hiermee zoveel als mogelijk in kaart te brengen met welke achtergrond het vierjarige kind onze school binnen komt.

Op de binnenkant van het protocol staat het stappenplan voor groep 1 en 2 beschreven. De ontwikkeling van geletterdheid verloopt via de fase van beginnende geletterdheid en van gevorderde geletterdheid (groep 4-8). In groep 1 en 2 werken wij als volgt.

1.            Aandacht voor dyslexie bij kleuters

Wanneer wij uitgaan van de eerder gegeven definitie kan dyslexie op zijn vroegst eind groep 3 worden vastgesteld. Latent aanwezig zijn van dyslexie kunnen wij al bij de kleuters signaleren. Gerichte hulp op het gebied van letterkennis en fonologische vaardigheden zorgen voor een betere start met leren lezen in groep 3. Deze preventieve hulp kan direct in groep 3 worden voortgezet. Van de leerkracht verwachten wij een opmerkzame houding en de overtuiging, dat geletterdheid bij kleuters ertoe doet. De kinderen werken in een talige omgeving, waarin geletterde activiteiten worden aangeboden en gestimuleerd. Door gerichte signalering worden achterstanden tijdig ontdekt.

 

2.            Naar een geletterde omgeving

Door een geletterde, schoolse omgeving dagen wij kinderen uit om te lezen en te schrijven en wordt de intrinsieke leermotivatie aangesproken. Dit bereiken wij o.a. door:

  • Het aanbieden van verschillende leesmaterialen
  • Een lees- en schrijfhoek in te richten
  • Het toegankelijk maken van materialen voor de kinderen
  • Het werken met een lettermuur
  • Gebruik te maken van ICT
  • Ouders te betrekken bij het leerproces
  • Een leerkracht, die laat zien dat lezen en schrijven belangrijk is
  • Letterlijn met aangeleerde letters en afbeeldingen uit Schatkist
  • Na de kerstvakantie gaan 1x per week de groep 2 kinderen bij elkaar (45 min). Binnen deze tijd wordt er aandacht besteed aan fonemisch bewustzijn en de voorwaarden van groep 3.

 

3.            Stimulering van beginnende geletterdheid

Op De Schakel wordt beginnende geletterdheid gestimuleerd door:

  • Beginnende geletterdheid een systematische plek te geven in het onderwijsprogramma.
  • De programma’s die worden gebruikt zijn o.a. de map fonemisch bewustzijn, de lettermuur en Schatkast.
  • Interactief voorlezen: we praten over het verhaal, lezen voor een kleine groep, aandacht voor woordenschat uitbreiding, veel herhalen, voorlezen is leuk!
  • Aandacht voor functies en structuur van geschreven taal: spontane spellingen, geschreven taal om te communiceren, kinderen bewust stimuleren met een schrijfactiviteit
  • Taalbewustzijn en het alfabetische principe: letter-klankkoppelingen met aandacht voor fonemisch bewustzijn, zoeken naar betekenisvolle context, taalspelletjes, ontdekken van het alfabetische schrift
  • Functioneel schrijven en lezen: het schrijfonderwerp is zinvol, met een doel en aan iemand gericht met een mooi potlood, viltstift, stempels, letters etc.

 

4.            Vroege signalering van achterstanden in geletterdheid

Indien een leerling uitvalt op de verschillende signaleringstoetsen, dat wil zeggen onder de norm scoort, dan, bespreekt de leerkracht dit met de interne begeleider en de ouders. In een handelingsplan worden de doelstelling en werkwijze voor een van te voren vastgestelde periode van begeleiding vastgelegd. Ook wordt in het handelingsplan vastgelegd hoe en wie evalueert en worden vervolgstappen vastgelegd.

 

5.            Effectieve begeleiding van leerlingen met een achterstand

Bij een geconstateerde achterstand bij een kind, op een van de onderdelen van geletterdheid, proberen wij die achterstand te verkleinen door extra, gerichte activiteiten aan te bieden en de ontwikkeling nauwgezet te volgen. Dit kan in een kleinere groep of individueel. Aandachtspunten hierbij zijn:

  • Een motiverende aanpak
  • Geen druk op het kind
  • Kinderen mogen niet het idee hebben dat ze falen
  • Opdoen van succes ervaringen

 

Hoe pakken wij dit aan:

  • Met hulp van de voorschotbenadering

- identificatie van klanken/letters (herkennen)
- manipulatie van klanken/letters (analyse en synthese)
- klank/letterkoppelingen aanleren (relatie letter en de bijbehorende klank)

6.            Samenwerking en overdracht

Wanneer externe zorg wordt ingeschakeld bij een leerling die extra begeleiding nodig heeft, is het van groot belang dat de school, ouders en externe zorg goed met elkaar samenwerking. Op school hebben wij formulieren om deze samenwerking te formaliseren, die opgeslagen worden in Parnassys.

In de overdracht naar de volgende leerkracht wordt gebruikt gemaakt van de toetsgegevens, observaties en werk van de leerling. De volgende punten worden daarnaast besproken:

  • Letterkennis
  • Fonemisch bewustzijn (auditieve analyse en synthese)
  • Lezen en schrijven
  • Spraak- en taalontwikkeling
  • Woordenschat
  • Is er sprake van dyslexie in de familie?
  • Gegevens in Parnassys, ons leerlingvolgsysteem

 

Groep 3

Leren lezen gaat meestal niet vanzelf. De meeste kinderen hebben een stapsgewijze uitleg nodig van het alfabetische principe en systematische oefening volgens een leesmethode. In groep 3 gaat het “echt” gebeuren. Vol enthousiasme starten de voormalige kleuters met het leren van de letters van het alfabet en het lezen van de eerste woordjes. Lezen is in groep 3 nog voornamelijk technisch lezen: het koppelen van klanken aan letters en het opslaan van deze combinaties in de hersenen: de elementaire leeshandeling. Waar in de eerste helft van groep 3 de nadruk ligt op het aanbieden van de letters, verschuift deze in de tweede helft naar het automatiseren van het geleerde.

Toetsmoment mei/juni

De eindmeting in mei of juni is het eerste moment waarop mogelijke dyslexie kan worden vastgesteld. Dat is het geval wanneer de extra hulp bij het leren lezen in de periode ervoor weinig tot geen resultaat gehad heeft, het kind nog steeds radend en/of spellend leest en het de minimum streefdoelen voor groep 3 niet heeft gehaald. Ook de signalen vanuit groep 1 en 2 met betrekking tot beginnende geletterdheid worden hierbij betrokken.

Aanpak

Als er een leerling doorstroomt naar groep 3 en nog niet goed kan “hakken en plakken” dan wordt er al begin groep 3 extra R.T. ingezet om zo snel mogelijk deze achterstand in te halen.
Elk toetsmoment in groep 3 vormt een mogelijk startpunt voor behandeling en extra begeleiding van een kind. De eindmeting in mei/juni is het eerste moment waarop mogelijk dyslexie is vast te stellen. Zijn de problemen - ondanks extra hulp - er nog steeds, dan is dit het moment om een externe deskundige in te schakelen.

Signaleert de school dat de taalontwikkeling achterblijft, dan zal gestart worden met extra begeleiding, eventueel met behulp van de Remedial teacher. De aanpak wordt vastgelegd in een handelingsplan.

Interventieperiodes
De interventie in groep 3 is in eerste instantie gericht op opbouwen van letterkennis, omzetten van woorden in zuivere klankcodes (kat opsplitsen in k-a-t) en ontwikkeling van fonemisch bewustzijn (het bewustzijn dat gesproken woorden uit verschillende klanken bestaan).

De tweede interventieperiode is gericht op de volledigheid van letterkennis en de decodeersnelheid (snelheid waarmee schriftletters in klanken worden omgezet), de derde interventieperiode op de automatisering van dit proces, de 'verankering' in de hersenen.
Voor zwakke lezers is het uiterst belangrijk om zoveel mogelijk te lezen. De strategieën die leerlingen met leesproblemen en mogelijke dyslexie gebruiken, zijn globaal te verdelen in te lang blijven spellen (spellende lezers) en te snel raden wat er staat (radende lezers). Ook worden beide strategieën door elkaar gebruikt.

Aanhoudende problemen
Heeft de extra hulp op school aan het eind van groep 3 weinig tot geen resultaat gehad, dan kan er sprake zijn van dyslexie. Wij raden dan aan om het kind te verwijzen naar een externe deskundige voor een diagnostisch onderzoek.

Groep 4

In groep 4 wordt het leesproces ingewikkelder. De technische leesvaardigheid wordt verder geautomatiseerd. Dit betekent dat kinderen zonder al teveel moeite woorden en zinnen in klanken kunnen omzetten. De aandacht gaat steeds meer naar het leren begrijpen van de betekenis en inhoud van teksten (begrijpend lezen). In groep 4 worden teksten qua structuur en zinnen langer en ingewikkelder en wordt schrijven steeds belangrijker. Daarom krijgen zowel zwakke lezers als spellers het in groep 4 moeilijker. Spellingsproblemen komen vooral naar voren bij het vrij schrijven. Het komt regelmatig voor dat een kind met dyslexie in een dictee laat zien een bepaalde spellingsvaardigheid of -regel wel te kennen, maar die vervolgens niet of inconsequent toepast in een vrije schrijfopdracht. In feite komt hierin het automatiseringsprobleem bij het spellen tot uitdrukking.

Observeren in groep 4

In het protocol[4] staat een lijst met observatiepunten die de leerkracht in de eerste weken in groep 4 kan checken. De observatiepunten zijn:

1. Hanteren van leesstrategieën

  • als de leerling spelt, doet hij dat hoorbaar of verinnerlijkt? 
  • als de leerling raadt, doet hij dat op basis van de context (rekening houdend met de zin) of blindelings? 
  • maakt de leerling gebruik van lettercombinaties?

2. De leessnelheid

  • hoe is de leessnelheid vergeleken met groepsgenoten? 
  • begint de leerling regelmatig opnieuw met lezen? 
  • herhaalt de leerling vaak woorden?

3. Het gebruik van de contextinformatie (informatie uit de zin of de tekst)

  • maakt de leerling gebruik van de zincontext bij het lezen van zinnen?
  • maakt de leerling gebruik van illustraties?

4. Problemen met het lezen van bepaalde woorden

  • heeft de leerling problemen met het lezen van bepaalde woorden?
  • zo ja, welke soorten woorden zijn dat?

Veel zwakke lezers hebben problemen met het lezen van meerlettergrepige woorden en met woorden die voor- of achteraan drie medeklinkers hebben.

5. De uitspraak

  • hoe is de uitspraak tijdens het hardop lezen?

Bij sommige leerlingen wordt het lezen negatief beïnvloed door slecht articuleren, gebruik van dialect of slechte verstaanbaarheid. Vaak is dit een al langer bestaand probleem en is er logopedische informatie bekend van de leerling. Er moet dus onderscheid gemaakt worden tussen uitspraakfouten en leesfouten!

6. Woordenschat

  • hoe is de leeswoordenschat vergeleken met groepsgenoten?

7. Begrijpend lezen

  • hoe is het leesbegrip vergeleken met groepsgenoten? 
  • hoe is de interpunctie (houdt de leerling rekening met leestekens?) en de zinsmelodie?

Vaak kun je aan de intonatie horen of de leerling begrijpt wat hij leest.

8. Spellen

  • hoe is de spellingvaardigheid bij het schrijven van een verhaal? 
  • beheerst de leerling bepaalde klank-letterkoppelingen niet? 
  • beheerst de leerling bepaalde spellingregels niet?

9. Metacognitieve vaardigheden (controle hebben over je eigen denken en leren en het  
               kunnen corrigeren en sturen in de door jou gewenste richting):

  • corrigeert de leerling zelf fouten tijdens het hardop lezen?

10. Leesmotiviatie

  • hoe is de leesmotivatie van de leerling?

Aanpak

De leesinterventies zijn in groep 4 niet meer in duidelijke stappen in te delen zoals in groep 3. In feite zijn de interventies in groep 4 een verdieping en verbreding van die in groep 3. Leesmotivatie is een belangrijk doel in groep 4. Dit is namelijk het moment waarop leerlingen met hardnekkige leesproblemen beginnen op te geven en dan steeds verder dreigen achter te gaan lopen. 

Interventies
Het eerder genoemde protocol geeft de volgende aandachtpunten voor interventie:

  • directe instructie op het gebied van woordenschatuitbreiding
  • expliciete instructie in morfologische regels (grammatica)
  • leesmateriaal zoveel mogelijk laten aansluiten bij de belevingswereld van het kind
  • onderscheid maken tussen leesfouten en uitspraakfouten
  • zorgen dat de leerling regelmatig samen leest met een goede lezer, zodat hij goede voorbeelden hoort

Groep 5-8

Niet alle kinderen met dyslexie worden in de onderbouw al opgespoord. Kinderen kunnen hun leesproblemen jarenlang verbergen. In hoofdstuk 2 hebben wij de instrumenten om te signaleren besproken. Wanneer het lezen en spellen in groep 5 of hoger nog niet naar wens verloopt, gelden de aanpak en tips zoals eerder beschreven in groep 3 en 4. Samen met de leerkracht, de ouders en het kind zal er gekeken worden naar een passend plan.

Zwakke lezers
Leesproblemen van leerlingen in de bovenbouw kunnen verschillende oorzaken hebben:

  • leerlingen die het technisch lezen redelijk vlot hebben geleerd, maar die moeite hebben met begrijpend lezen
  • leerlingen bij wie in de voorgaande jaren de diagnose dyslexie al is gesteld. Zij blijven moeite houden met het technisch lezen en dreigen steeds verder achter te gaan lopen, omdat de motivatie om te lezen gevaar loopt.
  • leerlingen die hun leesproblemen tot dan toe hebben kunnen verbergen, maar in de problemen komen met de langere en meer ingewikkelde teksten in de bovenbouw. Het is mogelijk dat deze leerlingen dyslexie hebben en zich het lezen van woorden op een verkeerde manier hebben aangeleerd, namelijk niet via het verklanken, maar door het hele woordbeeld in het geheugen op te slaan. Wanneer de zinnen dan ingewikkelder worden, legt het een te groot beslag op het geheugen en lukt het niet meer om hele zinnen te overzien.


C. tips en suggesties voor ouders

C 1. Tips om de leesmotivatie te vergroten

  • Een omgeving waarin gelezen wordt, stimuleert tot lezen en vergroot de motivatie om zelf te lezen
  • Laat het kind al van jong in aanraking komen met boeken/gebruik voor de allerkleinsten prentenboeken. Laat ze vertellen wat ze zien en lees daarna voor
  • Lees veel voor. Dit verhoogt het leesplezier en de motivatie, het stimuleert de taalontwikkeling, verrijkt de woordenschat en prikkelt de fantasie van het kind
  • Overleg met het kind wanneer je gaat voorlezen
  • Spreek een tijd af waarop het kind gaat lezen. 10 minuten per dag is voldoende. Bij een kind dat niet graag uit zichzelf gaat lezen is het belangrijk dat u erbij betrokken bent.
  • Elke dag 10 minuten levert een beter resultaat dan af en toe een uur!
  • Lees samen met het kind. Spreek af welk deel u leest en welk deel uw kind leest. Laat het kind meekijken terwijl u leest. Laat het kind zelf de boekjes uitkiezen, die hem interesseren
  • Vertel af en toe een verhaal. Dit stimuleert de leesmotivatie en fantasie van het jonge kind.
  • Maak voldoende tijd vrij en heb geduld.
  • Geef het kind een compliment voor zijn inzet
  • Maak van lezen iets leuks. Lezen is fijn!

 

C 2. Voorlezen: gouden tips voor ouders

Voordat je gaat voorlezen

1. Leen samen met je kind een prentenboek in de bibliotheek. Kies een boek dat je kind leuk vindt, liefst een boek dat past bij de activiteiten op de peuterspeelzaal of op school. De bibliothecaris helpt je graag bij het kiezen.

2. Bekijk het boek goed en lees het zelf voordat je gaat voorlezen. Bedenk wat je gaat vragen en uitleggen tijdens het voorlezen.

3. Kies een vast moment en een vaste, gezellige plek om voor te lezen. Zo wordt voorlezen een onderdeel van iedere dag. Dat is gezellig en het is goed voor de taalontwikkeling van je kind.

 

Hoe lees je voor?

1. Laat je kind lekker dicht naast je zitten, zodat het kan meekijken in het boek. Jullie gaan samen het verhaal lezen.

2. Wijs de titel aan, lees de titel voor en praat met je kind over de voorkant. Maak je kind nieuwsgierig naar het verhaal.

3. Lees het verhaal voor, bekijk samen de afbeeldingen en praat over de afbeeldingen.

4. Laat je kind gerust opmerkingen maken terwijl je voorleest. Het is goed voor de taalontwikkeling als je kind praat, dus alle opmerkingen zijn goed.

5. Neem de opmerkingen van je kind serieus. Ga op de opmerkingen in, ook als ze niet over het verhaal gaan. Daarna ga je weer door met het verhaal.

6. Vraag op spannende momenten aan je kind hoe het verhaal verder zou kunnen gaan. Zo leert je kind goed nadenken en gaat het begrijpen hoe verhalen in elkaar zitten.

7. Bedenk welke woorden moeilijk zijn voor je kind. Leg een onbekend woord uit.

8. Maak bij het voorlezen geluiden en bewegingen die passen bij het verhaal of vraag je kind om een geluid of beweging uit het verhaal na te doen.

 

Na het voorlezen

1. Laat je kind het verhaal navertellen aan een broertje of zusje of aan een knuffel.

2. Waarschijnlijk vraagt je kind om het boek nog een keer voor te lezen. Dat is goed. Je kind leert er iedere keer weer iets nieuws van.

 

C 3. Oefenen in groep 3 en 4

Maak van alle onderstaande oefeningen een spelletje, het liefst met meer leden uit het gezin.

 

Gebruik letterblokjes om woordjes te leggen. De volwassene legt woorden van vijf letters. Het kind legt woordjes van drie letters en krijgt dubbele punten. Gebruik hiervoor bijv. Scrabble, Boggle of een letterdoos.

 

De letterblokjes zijn natuurlijk op veel meer manieren te gebruiken, bijv.:

 

Een bepaalde letter opzoeken (Bijv. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en de eerste letter daarvan is een …..; variatie: laatste letter, eerste lettergreep enz.)

Een woord veranderen door letters te verwisselen

Een woord in de goede volgorde leggen dat door de ouder in een verkeerde volgorde is neergelegd

 

Schrijf een grote letter op een tekenvel en laat het kind er een tekening van maken of bedenk samen wat je van zo’n letter kunt maken en teken dat. Datgene wat ervan gemaakt wordt, zou ook met de letter zelf kunnen beginnen. Of er kunnen meerdere voorstellingen getekend worden met dezelfde letter. Hang de letter op een centrale plaats op, bijvoorbeeld op de koelkast.

 

Lees samen een boek. Lees om de beurt een regel of meerdere regels. Bespreek samen met uw kind hoe u dit gaat doen. Probeer twee dezelfde boeken in de bibliotheek te vinden, zodat je allebei een eigen boek hebt.

 

Maak samen rijmpjes. Hierbij kunnen bijvoorbeeld gekke rijmpjes of rijmen met niet bestaande woorden gemaakt worden.

 

Maak woordkettingen: iemand begint met een woord, de volgende bedenkt een woord dat met de laatste letter van het eerste woord begint, en zo verder. Hierbij kan ook gespeeld worden rond een thema, bijv. dieren.

 

Woordrijtjes maken: laat het kind zoveel mogelijk woordjes bedenken of opschrijven die met een bepaalde letter beginnen of eindigen of die een bepaalde letter/klank bevatten. Dit kan heel goed in de auto: woorden maken van letters op nummerborden van auto’s. Wie het eerst een woord weet.

 

Noem een woord en laat het kind er een ander woord van maken door een van de klanken te vervangen.

 

Gebruik flitskaartjes om de letters te oefenen. Maak hiervoor kartonnen kaartjes met op elk kaartje een klinker (korte klanken), een medeklinker, een dubbele klinker (lange klanken als aa, oo), een tweetekenklank als eu, oe, ui, sch, ch, ng en nk, een drietekenklanken als aai, ooi, oei, auw en ouw of een viertekenklank als eeuw en ieuw. Gebruik die letters en samenklanken die het kind op school al geleerd heeft. De letters die het kind goed zegt, leg je weg. De andere doe je nogmaals tot er geen kaartje meer over is.

 

Doe kruiswoordraadsels en rebussen met het kind. Deze zijn bij de speelgoedwinkel te koop. Deze hebben trouwens nog meer oefenboekjes met taalspelletjes. (Uitgeverij Deltas)

 

Speel een kwartetspel waarmee de diverse klank/tekenkoppelingen geoefend worden (op het MLP te verkrijgen)

 

C 4. Spelletjes

Zelf veel voorlezen. Kies inhoudsrijke, spannende, leuke boeken. Een boek dat niet aanslaat bij het kind niet verder (laten) uitlezen, maar een ander boek kiezen.

 

Lees een stuk voor uit een aansprekend boek en laat het kind daarna hetzelfde stuk hardop lezen. Mag best moeilijker zijn dan het technische AVI-niveau dat het kind beheerst. Lees het boek zo verder tot het kind alleen verder wil lezen. 

Bij hardop lezen door het kind: niet op fouten wijzen, niet laten hakkelen, maar het woord zeggen.

 

Lees het begin van een spannend boek voor. Laat het kind zelf verder lezen, als het goed in het verhaal zit.

 

Interactief voorlezen. Vraag het kind bijvoorbeeld hoe het denkt dat het verhaal zal aflopen of het iets zou oplossen. Ook een stukje navertellen is stimulerend. Zie bijvoorbeeld de materialen van Boekenpret.

 

Laat het kind zelf stillezen op het niveau dat het aankan. Zoek naar boeken die aansluiten bij de interesse van het kind. Wissel stillezen af met luisteren naar een bandje of cd-rom (met het boek erbij, maar alleen als uw kind dat leuk vindt!).

 

Probeer het kind te interesseren voor een serie. Het tweede deel uit de serie is makkelijker te lezen omdat de context bekend is. Het kind zal daardoor geneigd zijn de hele serie te lezen.

 

Maan-roos-vis: hierbij zijn computerprogramma’s en andere taalspelletjes gemaakt om thuis te spelen. Ze zijn vaak te leen bij de Openbare Bibliotheek.

 

C5. Hoe kunnen ouders of verzorgers in groep 3 helpen?

Ouders en verzorgers kunnen de kinderen helpen door veel voor te lezen. Samen met de leerkracht kan gekeken worden welke oefeningen het beste thuis gedaan kunnen worden. Het is belangrijk dat het kind niet te veel druk ervaart.

 

1. Letten op signalen

Om te weten welke signalen serieus genomen moeten worden, kunnen ouders zich de volgende vragen stellen:

  • kan mijn kind namen van kleuren, dagen van de week, cijfers, reeksen onthouden?
  • zijn er op het consultatiebureau, c.q. bij jeugdgezondheidszorg signalen waargenomen die wezen op hoorproblemen of spraak-taalproblemen?
  • zijn er tekenen van moedeloosheid, faalangst?
  • zoekt mijn kind uitvluchten om naar school te gaan?
  • heeft mijn kind vaak lichamelijke problemen?
  • zijn er gedragsproblemen?

2. Blijven stimuleren en bemoedigen

  • natuurlijk gaat de ouder niet uit van onwil of gemakzucht van het kind
  • verwijten achterwege laten
  • achter het kind blijven staan
  • met het kind optimistisch blijven en samen de problemen aanpakken

3. Overleggen met school

  • De resultaten doorspreken.
  • Elk meetmoment vormt een mogelijk startpunt voor behandeling en extra begeleiding.
  • Eind mei is een belangrijk moment. Zijn de leesproblemen er ondanks extra inspanningen nog steeds, dan is misschien een onderzoek door een deskundige buiten de school nodig. In overleg met de interne begeleider kan het kind worden doorverwezen naar een dyslexiespecialist of dyslexie-instituut.

4. Thuis extra ondersteunen

Het is bekend dat kinderen met leesproblemen en dyslexie, als ze niet worden gestimuleerd (of juist worden over-gestimuleerd) tot lezen, ze een steeds grotere tegenzin ontwikkelen. Om te voorkomen dat ze daardoor steeds verder gaan achterlopen in vergelijking met hun klasgenoten, is het nodig ze extra te motiveren. Het kind optimaal betrekken bij het plannen van de oefeningen, zodat het zelf weet waarom er wordt geoefend, werkt positief.

  • probeer op een leuke manier te oefenen met letters en klanken in overleg met de leerkracht
  • in overleg met de leerkracht aanvullend thuis oefenen
  • samen boeken lezen en voorlezen en hierover praten

Blijven lezen is heel belangrijk voor een kind met (vermoedelijk) dyslexie. Het spreekt bijna vanzelf dat het leesmateriaal aansluit bij de interesses van het kind, zodat het gemotiveerd blijft en plezier in het lezen blijft houden. Ook stripboeken mogen!

C6. Hoe kunnen ouders of verzorgers in groep 4 helpen?

In groep 4 komt het erop aan. Als een kind in dit leerjaar niet leert lezen, wordt het een stuk lastiger om dit onder de knie te krijgen. In groep 4 beginnen leerlingen met hardnekkige leesproblemen het vaak op te geven.

1. Letten op signalen

De aandacht voor de leesmotivatie heeft in groep 4 een belangrijke plaats. Ouders kunnen een belangrijke rol spelen door te letten op de signalen die er op wijzen dat het kind niet meer gemotiveerd is om te leren lezen en begint te twijfelen aan zijn mogelijkheden om het ooit te leren. Een gesprek tussen ouders, leerkracht en kind is op dit moment belangrijk. De leerkracht, de ouders, en het kind stellen een plan op dat voor zowel thuis als op school wenselijk en haalbaar is.

2. Blijven stimuleren en bemoedigen

Blijven stimuleren en bemoedigen is in groep 4 van het allergrootste belang en vaak zelfs doorslaggevend voor het vervolg. Daarnaast is het belangrijk aandacht te vestigen op wat het kind wel kan of zelfs erg goed in is. Dat mag natuurlijk geen kommer en kwel zijn en moet zeker positieve elementen bevatten. Getracht moet worden het kind zoveel mogelijk succeservaringen te laten opdoen. Ouders kunnen vragen naar de dingen die goed gaan en dit naar het kind benadrukken. De ouders benadrukken de vooruitgang van het kind t.o.v. zichzelf en niet t.o.v. het groepsgemiddelde of broertjes of zusjes.

3. Overleggen met school 

  • Overleg over de toetsmomenten
  • Als een kind de streefdoelen niet haalt, maakt de school een plan van aanpak
  • Overleg over de overdracht naar de leerkracht van groep 5

4. Thuis extra ondersteunen

Het helpt als de leestaken te maken hebben met een onderwerp dat in de belangstellingssfeer van het kind ligt of waar ze het nut van inzien. Voor ouders is het een uitdaging in het dagelijks leven zoveel mogelijk lees- en schrijfmomenten te ontdekken (“wil jij vast even de boodschappen opschrijven?” etc.).
In overleg met de leerkracht of extern begeleider kan er thuis ook aanvullend geoefend worden met het kind. Het zogenaamde ‘tutorlezen’ is een goede manier om het lezen te oefenen. Hierbij leest het kind samen met een ander (ouder, medeleerling, leerkracht) volgens een vastgestelde manier.

Het is prettig als het kind boeken kiest wat plezier geeft in het lezen, dit gaat vaak voor het niveau!

 



[1] Auteurs A. Smits en T. Braams uitgeverij Boom 2006

[2] Protocol leesproblemen en dyslexie voor groep 1 en 2 Expertisecentrum Nederlands juni 2008

 

[4] Protocol Leesproblemen en dyslexie uitgave Expertisecentrum Nederlands Nijmegen 2001

© 2017 de Schakel - Realisatie Buro210